Zo, de eerste Taxol is binnen en voor morgen staat er al een nieuwe portie klaar. Zaterdag en zondag ben ik gaan werken, dat lukte, maar eergisteren was ik een en al ellende; beven, klappertanden, enorme, kortsluiting-achtige pijnen in mijn spieren, in brand staan… Toen heb ik mijn werk moeten aftoeteren. Vanaf volgende week mag ik thuis werken, en minder uren. Dat zou wel moeten lukken.
De pijn in mijn rechteronderbuik blijft hels. Toen ik het vorige week nog eens vermeldde begon onkie J. (onkdokkie L. is met vakantie) met zijn volle gewicht (ik lag op een onderzoekstafel) in mijn buik te duwen. Terwijl ik alle moeite van de wereld had (en de wetten van de zwaartekracht optimaal probeerde te benutten) om niet tegen het plafond te gaan zei dok J vrolijk: “Hm, galkolieken kunnen het niet zijn, anders zou je tegen het plafond gaan als ik zo duwde.”. Ik: “Uh, ja, uh… het deed wel gruwelijk pijn!” en hij: “Jaja, maar galkolieken, dat is toch nog wat anders.”.
Op de radio had ik net gehoord dat er iemand was overleden na een kwallensteek, dus ik vroeg hem of het misschien kwalkolieken konden zijn. Oplettende lezertjes herinneren zich misschien dat ik in juni met een kwal in aanvaring ben gekomen (een ervaring waarbij, zoals gezegd, angst, afgrijzen en pijn elkaar in snel tempo opvolgden). En ik herinnerde me dat sommige aandoeningen zich weken of zelfs maanden gedeisd kunnen houden om dan plots in alle acuutheid uit te breken. Misschien bijvoorbeeld ook kwalkolieken… Maar dok J krabbelde alleen maar in mijn dossier “patiënte ijlt”.
Jullie moeten weten dat ik op dat moment de zgn. ijskap al meer dan 2 uur op mijn hoofd had. Een soort gel-muts is dat met een temperatuur van -3 tot -5°C. Eerst voelde die verschrikkelijk koud aan, maar daarna kwam er een soort rust over mij, alsof mijn gedachten op een laag vuurtje waren gezet, ik gleed de dag door alsof ik een slee was met pas ingevette glijders, heel gladjes.
Uiteindelijk heb ik het ding bijna 5 uur op gehad. De verpleegsters waren me zo beu als koude pap, die moesten wachten tot ik klaar was om zelf ook naar huis te kunnen. De verpleegster die me de kap aanbond had gezegd: “En als we de kap uit de stroom halen moet je die nog een tiental minuten ophouden, want je haar zal daaraan vastgevroren zitten en als je die kap dan te abrupt afzet trek je alle haren mee uit.”. Maar de laatste verpleegster (“hehe! eindelijk!”) trok de stekker uit en zette zich schrap (“want die kap plakt goed vast lijkt het!”) en voor ik: “Aïe! Aïe! Oufti!” kon zeggen lag de kap al op de kar en bevroren sprieten haar staken er in alle richtingen uit.
“In elk geval was het een interessante ervaring”, heeft Bobonne me geleerd te zeggen als iets echt héél héél vervelend was. En die ijskap viel best mee. Mijn hoofdhuid voelt wel aan alsof die verbrand is geweest. Nu maar hopen dat m’n krullen blijven! Vanitas etc!
Maandag (eergisteren) moest ik dan naar huisdokkie voor een werkverzuimbriefje. Hij was hyperafwezig, leek absoluut niet te horen wat ik zei, zei op de meest ongepaste momenten “jaja” en “hmhm”, dus ik dacht: “de man lijkt wat aan de vermoeide kant”, maar toch vroeg ik hem ook maar eens naar mijn buikpijn. Weer moest ik op tafel gaan liggen en ook hij begon uit alle macht te duwen. Ik hield de randen van de tafel vast en mijn knokkels waren wit en mijn tanden knarsten, zo klemde ik ze op elkaar. Dok: “Dat doet pijn he? Jaja, dat doet vreselijk pijn.”. Ik mocht me van de tafel laten vallen en overeind krabbelen en piepen: “Misschien zijn het galkronieken?” terwijl hij druk zat te pennen, me een briefje toeschoof en triomfantelijk uitriep: “Hiero, een pijnstiller!”. Ik: “Ah, oh?”. Hij: “In druppels. 20 druppels, 3 keer per dag en als de pijn te erg is drijf je de dosis maar op met 5 à 10 druppels.”. Ik: “Ah, oh?”. Hij: “Dan zou het beter moeten gaan.”. Ik: “Maar wat heb ik eigenlijk?”. Hij: “Tja, wie weet dat! Dat kan vanalles zijn!”. En met die hartverwarmende woorden en m’n voorschrift en m’n verzuimbriefje werd ik het licht van de ondergaande zon ingeschoven.
Twee gevoelens in de auto:
- hij heeft helemaal niet geluisterd naar wat ik zei (vertwijfeling en frustratie)
- zo vlug mogelijk aan die druppels geraken (pijn)
Ten derde voelde ik me eigenlijk wel het haantje, want als je pijnstillers in druppelvorm krijgt in plaats van in pillen of bruisers lijkt dat toch een beetje een bevestiging van het feit dat je écht wel pijn hebt!
Gisteren was ik op mijn werk en gebeurde het allergekste: F’y belde me om te zeggen dat huisdokkie naar mama gebeld had om te zeggen dat hij me zo bewonderde, dat ik “een harde was met veel volharding”. Maar het was heel druk op mijn werk en misschien was mijn ijskop nog altijd niet helemaal ontdooid, in elk geval: tegen dat ik naar huis mocht had ik in mijn hoofd dat hij gezegd had dat ik “hard en hardvochtig” was, dus ik moest om half elf ‘s avonds nog naar mama bellen om de puntjes op “piëteit” te zetten. “Neeneenee, mallerd, hard en volhardend, niet hard en hardvochtig!”. En toen bleek dat huisdokkie ook elk woord gehoord had dat ik hem had gezegd! Want hij had met mama gesproken over mijn werk en mijn leven en de dieren (mama: “hoeveel uur heb jij daar gezeten?”) en wist overal alle details van!
Hoe kan men zich toch vergissen!
Overigens: toen ik vrijdag na de chemo met m’n F’y naar Donkey ging voor de ezels en we met hooi en water liepen te zeulen en met sla voor de ganzen zei hij opeens: “Kijk daar eens!” en – oh men kan zo gelukkig zijn!- half rechtop in het gras zat een jonge egel rond te kijken, niet bang maar nieuwsgierig.
Sommige wonderen zijn te groot voor veel woorden.












